Het is een zaterdagavond, en ik zit in een kroeg in Tilburg, met Ronald en zijn broer, waarvan ik de naam maar niet kan onthouden. Ik ben dit weekend maar niet naar mijn ouders gegaan, omdat ik me daartoe simpelweg niet kon zetten. Ik zag er het nut niet zo van in. Ooit zal ik toch zelfstandig moeten zijn, en aangezien ik nog maar vijf jaar heb kan ik daar het beste zo vlug mogelijk aan beginnen.
In plaats van naar huis te gaan zit ik me dus te bezatten. Het is onmogelijk te verdedigen dat dit een juiste besteding van mijn tijd is, maar wat is dat wel? Wat kan ik nog uit mijn leven halen?
Het geheel begint inmiddels te ontspinnen als een vrij surrealistische avond. Ronald begint grappen te maken over de holocaust, maar hij heeft het in ieder geval niet meer over zijn kanker.
“De bediening in dit cafĂ© mag dan slecht zijn, maar weet je waar de bediening nog veel slechter was? In de holocaust!” Ronald barst in lachen uit. Zijn broer ook, maar die heeft inmiddels al zoveel gedronken dat hij niet echt een ‘tough crowd’ meer is.
Ik heb nog altijd de pest in. Vanmiddag heb ik geprobeerd Sonja terug te bellen, maar ze neemt maar niet op, teef dat ze is. Daarnaast ben ik nog over de zeik vanwege die inbraak van de week. ‘Inbraak van de week’? Dat klinkt als een heel slecht misdaadprogramma. Ik lach in mezelf.
Op een zeker moment bereikt mijn dronkenschap een zodanig niveau dat ik overal de inbreker, de dief van mijn televisie, ga zien. Ik kijk schichtig om me heen, naar elke persoon die op staat, alsof ik een gevecht met iemand zoek, maar een gevecht is het laatste waar ik op zit te wachten. Ik heb nog nooit gevochten; liever zag ik mijzelf als diegene die op de achtergrond de poppen zo bediende dat hij iedereen uiteindelijk tegen elkaar uitspeelde, maar dat ben ik eigenlijk ook niet. Ik ben niemand.
En hoe ouder ik word, hoe meer het opvalt dat ik niemand ben en nergens heen ga. Voor je twintigste is het nog acceptabel als je niets bereikt, maar daarna wordt het langzaam minder. Er zijn zoveel mensen van mijn leeftijd die al verder zijn dan ik ooit zal komen.
Ik wil nog iets groots doen voor het voorbij is.
Terwijl ik in mijn eentje het laatste eind naar huis fiets wacht ik op een openbaring, zoals die vent krijgt aan het einde van ‘De Avonden’, wat ik overigens een vrij belabberd boek vind. Ik wacht op een ingeving, een conclusie, een manier waarop ik mijn leven zin kan geven.
Waar wacht ik op?
Er is mij al ruim drie dagen niets bijzonders gebeurd.
zondag 4 november 2007
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten