Er steekt een klein meisje de straat over. Zo’n klein ding van een jaar of acht. Ik háát kinderen. Het zijn kleine mensen, even slecht als hun ouders en alle andere volwassenen, maar zíj komen er mee weg, alleen maar omdat ze klein zijn, en beperkt toerekeningsvatbaar zouden zijn. Belachelijk. Waarom beginnen mensen nog aan kinderen? Het heeft toch allemaal geen zin meer?
Ik loop met Sonja langs de Bredaseweg, over het terrein van Amarant, een opvang voor verstandelijk gehandicapten. Ik weet niet waarom we er voor gekozen hebben net hier te gaan lopen; ik ben altijd een beetje bang voor verstandelijk gehandicapten, net zoals ik bang ben voor honden. Ze zijn zo onvoorspelbaar. Je kunt niet met ze onderhandelen. Als je ze willen aanvallen, dan houdt niemand ze tegen, met hun beperkte rationaliteit.
Sonja vindt het volkomen terecht dat Al Gore de Nobelprijs voor de Vrede heeft gekregen.
“Misschien is het allemaal opgeklopt wat hij zegt”, zegt Sonja, op een toon die er geen twijfel over laat bestaan dat ze er vanuit gaat dat het dus zeker níet opgeklopt is wat hij zegt, “Maar in ieder geval wíjst hij mensen op de gevaren die er bestaan door de opwarming van de aarde. Mensen gaan er zo in ieder geval over nadenken.”
Ik heb niet echt een mening over Al Gore, dus ik zwijg. Ik ben al lang blij dat ze me weer wil spreken.
Aan de overkant van de straat zie ik het meisje. Ze rent achter haar ballon aan de weg op. Stom. Moet je niet doen. De Bredaseweg is groot, veel auto’s. Ze is ten dode opgeschreven. Roadkill. Er komt al een flinke SUV aanscheuren om de genadeslag toe te dienen.
Ik kan het niet aanzien. Ik moet uit een soort zelfbeschermingsmechanisme hebben gehandeld; ik kan slecht tegen bloed, en daarom liet mijn lichaam me zo handelen dat ik voorkwam dat ik bloed zou zien.
Nog voor de SUV het kind kon bereiken was ik de weg al overgestoken en had ik haar opgetild en weer op de stoep gezet. De wagen, remde, toeterde, en reed door. Ik meende een flits van een middelvinger op te vangen. Klootzak.
Het kind kijkt me verontwaardigd aan. Haar ouders, die een eind verderop lopen, hebben niet eens gezien dat ze in levensgevaar verkeerde. Ze heeft zelf niet eens door dat ze bijna roadkill was. Het enige dat haar bezighoudt is dat haar ballon inmiddels onder de wielen van een andere auto is geland.
“Je moet uitkijken”, zeg ik, “Je was bijna aangereden.”
Dit heeft geen zin zo. Ik klink als een idioot. Ik moet die ouders op hun donder geven omdat ze niet op hun kind letten, maar dat durf ik dan weer niet. De vader ziet er uit alsof hij in zijn vrije tijd puppy’s eet. Ik kijk toe hoe het meisje zich weer bij haar ouders voegt. Ze is mij alweer vergeten.
Ik zal het niet vergeten. Ik heb een leven gered. Is dit genoeg? Mag het nu ophouden? Word ik nu vergeven? Is het einde van de wereld afgewend?
Wat Sonja betreft wel. Ze houdt er niet over op dat het zo dapper was dat ik dat meisje voor die auto weg sleurde, dat het toch allemaal zin heeft, dat er dus geen reden voor mij is om continu ‘zo depressief te doen’.
Maar of het een verschil heeft gemaakt?
Dat zal zich vanzelf moeten uitwijzen.
zondag 4 november 2007
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten