donderdag 8 november 2007

Op Ruwe Planken-Neplog




Ik vind dit erg genant en vervelend, maar ik, Victor Visser, besta helaas niet echt. Sorry. Het spijt me. Maar er is ook goed nieuws: de wereld vergaat dus níet binnen vijf jaar.

Binnen drie jaar heeft een meteorietinslag ons allemaal uitgeroeid...

dinsdag 6 november 2007

Eind der Tijden

Als ik wakker word staat de wereld in brand. De vlammen komen tot aan mijn balkon, en ik spring vlug uit bed. De muren van mijn kamer zien er uit alsof ze elk moment kunnen gaan verbranden; het behang bladdert af.
Buiten is het licht; het is niet het licht van de zon dat ik zie, want het is nog altijd nacht, maar het licht van de vele vlammen, de vuurzee daar buiten. Alle huizen in de wijk brandden, evenals de auto’s, en de schaarse voorbijgangers die ik zie. Af en toe wordt het hele stratenblok opgeschud door bevingen en trillingen. In de straat zijn scheuren te zien, soms zelfs hele zwarte gaten waaruit slechts vuurtongen te voorschijn schieten.

Dit is het Eind der Tijden.

Hoe is het geëindigd? Was het een meteorietinslag? Een milieuramp? Een fabrieksramp? De wraak van God? Wie zal het zeggen? Wie zal het weten? Wie maakt zich er nu nog druk om? Het is te laat. Te laat. Ik heb gelijk gehad. Ik heb geprobeerd de mensen te vertellen over het aanstaande van de wereld, maar niemand wilde luisteren, en nu krijgen we dit.
Ik ga op de rand van mijn balkon staan, mijn volgende stap overwegend. Heeft het nog zin om te vluchten, om te proberen mijn gebouw te verlaten, wat spullen mee te nemen, mijn fiets te zoeken en weg te rijden, op zoek naar een veilige haven?

Nee, het heeft geen zin.

Ik zie daar door de straat iemand lopen. Zijn het mensen die wel willen vluchten? Nu pas vallen de kreten me op. Overal schreeuwen mensen. In huizen, op de straat, in de appartementen naast me. Wat heeft het voor zin om te schreeuwen? Het kwaad is al geschied. Zou er echt nog ergens iemand zijn die niet door heeft dat het grote doek gevallen is?
Ik herken de persoon buiten. Het is de man met zijn hondje, die onverstoord door gaan met hun vaste wandeling. Voor ik hen kan waarschuwen worden zij beide verpletterd door een grote, brandende bol, die vanuit de hemel komt neerdalen.

Dit heeft zo geen zin. Ik draai mij om, stap terug mijn kamer in. Ik wil mijn ouders bellen, dat ik van ze hou, Sonja, dat het me spijt, Ronald, dat hij zich om zijn kanker nu geen zorgen meer hoeft te maken.
Maar ergens weet ik dat er iets niet klopt. Waarom is het nu ineens zo ver? Toen ik gisteren naar bed ging was het toch pas 5 november 2007? Waarom is het eind der tijden dan toch zo vroeg gekomen? Heb ik me vergist? Het klopt gewoon niet.

Ergens besef ik dat het een droom is, dat dit alles onmogelijk echt kan gebeuren, omdat ik deze vernietiging, deze totale verwoesting, deze Wereldbrand, al te vaak heb gezien.
Ergens besef ik dat dit alles te levendig, te écht is om een droom te zijn, dat je je dromen niet zó goed hoort te herinneren, dat dromen horen te verdwijnen op het moment dat je wakker wordt.

Het is een droom, en tegelijkertijd kán het geen droom zijn.

En mensen nemen het me kwalijk als ik er weer over begin. Ze noemen me een doemdenker. Ik vraag me af hoe zij er mee zouden omgaan als ze elk moment dat ze sliepen het einde van de wereld zouden zien; zou het hen niet tot waanzin drijven? Zouden zij er normale mensen onder blijven? Zouden zij niet inzakken onder de druk die het aanschouwen van het zich voortdurend herhalende einde van onze wereld met zich meebrengt?

Waarom zie ik deze destructie, en waarom ben ik de enige? Probeert God, iemand, mij iets duidelijk te maken? Proberen ze mij tot actie aan te zetten, en zo ja, wat voor actie? Ik heb hier niet om gevraagd.

Elke keer eindigt mijn ‘droom’ op dezelfde wijze; ik kijk op mijn mobiele telefoon, die op mijn nachtkastje ligt, welke datum het is, en de uitkomst is nooit anders; het is altijd dezelfde dag.

20 december 2012.

En dan word ik wakker, in mijn eigen bed, zonder brand buiten, slechts het geluid van mijn wekker, of het kraken van de kamer, of het geluid van stemmen bij de buren. En dan ga ik weer aan de gang, met studeren, bezigheden, iets om de tijd te vullen.
De dagen houd ik vol, maar de nachten… Soms overweeg ik om een nacht over te slaan, maar een mens kan niet zonder slaap. Ik moet toegeven, aan mijn slaap, en haar verschrikkelijke visioenen.

Elke nacht weer.
Voor mij vergaat de wereld elke nacht weer.

Nog 1862 dagen en dan houdt het op.

maandag 5 november 2007

Aan de vooravond van de Apocalyps

Mijn eerste roman, waar ik gistermiddag aan begonnen ben, vordert gestaag. Het gaat over het menselijk bestaan na een nucleaire holocaust, en is in zekere zin dus enigszins optimistisch. Het merendeel is echter vrij pessimistisch; dat past wat beter in mijn straatje.
Ik heb met een vriend van me eens wat ideeën uitgewisseld over dit soort werken; hij wilde namelijk ook een boek schrijven over een postapocalyptische samenleving, alleen zijn visie was iets… belachelijker, inclusief onzinnige tongue-in-cheek humor, een overdaad aan woordspelingen en een belachelijke titel als 32 oktober of iets dergelijks.
Mijn idee is anders. In mijn versie is er geen samenwerking tussen de overlevende mensen. Zij blijven elkaar tot het eind toe naar het leven staan. Er is wel een held, maar die is ook niet heel sympathiek. Ik wil dit personage introduceren terwijl hij een jong kind in een put gooit of iets dergelijks. Het doet er in mijn verhaal ook verder niet zo toe waardoor de Apocalyps is ontstaan; of dat nu het visioen van Johannes was, het gat in de ozonlaag, de Wereldbrand, Ragnarok, Lavos of een supernova-explosie, we gaan er hoe dan ook aan.
Afijn, in het begin bewenen de mensen deze Apocalyps in haar slachtoffers, maar na enige tijd slaat dit om in een grote vreugde, omdat de overlevende mensen nu veel meer ruimte en bezittingen hebben. Ze beginnen te doen wat ze wikkelen, ontwikkelen zich verder tussen de puinhopen van de wereld, ieder voor zichzelf.
Waarna vrijwel de gehele mensengeschiedenis zich herhaalt; weer holbewoners die strijden, een ‘wiel’ uitvinden, dieren doden, hun medemensen doden, weer oorlogen, wereldoorlogen, holocaust, kruistochten en heksenverbrandingen, modern imperialisme, kolonialisme, Apartheid, genocide, oorlogen om olie en water. Andere plaatsen en hoofdrolspelers, maar de kern blijft hetzelfde.
De onderliggende boodschap is dat de mens van nature slecht is en steeds weer dezelfde fouten zal blijven maken.
Ik weet het; het is veel te ambitieus voor een eerste boek, voor mijn leeftijd, en ik krijg zo’n werk in vijf jaar natuurlijk nooit af.
Maar ach, het houdt me bezig.

De Balans



Ik vind het tijd om een inventaris op te maken van de fijne momenten en de minder fijne momenten, het leuke en het niet zo leuke aan het leven.
De fijne herinneringen, zoveel zijn het er nu ook weer niet. Als je er van uit gaat dat ik de afgelopen 22 jaar een stuk of 25 aangename herinneringen heb, waarvan 20 er in de eerste 12 jaar van mijn leven plaats hadden, voorzover ik me kan herinneren uiteraard, wat hebben de komende vijf jaar mij dan nog te bieden?
Helemaal niets, tenminste, als ik hier blijf zitten jammeren zoals ik nu doe. Ik moet ingrijpen, de regie over mijn leven herwinnen, want als ik hier zo blijf afwachten komt er niks, dat begrijp ik ook wel. De leuke dingen dienen zich niet vanzelf aan; je moet ze opzoeken.
Het is om deze reden dat ik iets zoek om om handen te hebben, iets om het Grote Niets te bestrijden, een middel om meer fijne herinneringen te kweken, die de balans kunnen doen doorslaan naar een gelukkig leven.
Hobby’s zijn goed en wel, maar het moeten hobby’s zijn die er iets toe doen. Sporten dan? Ik kan me geen grotere tijdsverspilling voorstellen. Misschien is het daarom alleen al goed om te doen.
Maar wie bepaalt nu wat een goed leven is? Dat ben je uiteindelijk toch zelf? Ik geloof nog steeds niet dat er een god is, wát ze me ook laten zien. Er is geen externe rechter die onze levens vanaf een grote troon in de hemelen gaat zitten beoordelen.

Dat wordt aan onszelf overgelaten.

Vijf voor ‘12

Geen verandering. Het einde dreigt nog steeds. Wat ik ook doe, we gaan er allemaal aan. Het is onontkoombaar.
Het kan toch niet alleen aan mij liggen? Moet ik zo nodig veranderen? Ik heb het probleem aan Sonja voorgelegd, maar die begrijpt het niet eens. Ze zegt dat ik slaappillen moet nemen, of een dromenvanger. Nee, dat zal helpen.
En de tijd tikt door. Ik heb het op me genomen een roman te schrijven over dit alles, om maar íets te doen. Misschien zullen de mensen me dan begrijpen. Nu ik dit besluit heb genomen voelt het alsof een deel van de last van me af is gevallen, alsof ik er niet langer alleen voor sta. Eenzelfde gevoel had ik toen ik aan dit weblog begon; ik kon zo ten minste iets kwijt.
Ik denk dat ik nu één van mijn betere dagen heb; misschien is het morgen weer anders. Misschien voel ik me nu enkel beter, omdat het voelt alsof ik een verschil heb gemaakt, door een leven te redden.
Misschien eindigt de wereld in 2012, misschien ook niet. Misschien word ik morgen wel geschept door een auto, dan maak ik het niet meer mee. Misschien wordt bij mij wel kanker geconstateerd en haal ik de 2012 niet eens.
Misschien moet ik me er minder druk om maken.
Dat zei zij ook, mijn moeder bedoel ik, toen ik haar gisteren belde. “Maar Victor, als de wereld in 2012 vergaat en als die maya’s dat allemaal al honderden jaren geleden hebben voorspeld en vastgelegd, wat kun jij daar dan nog aan veranderen?”
Ze heeft gelijk. Wat kán ik doen? Waarom maak ik me er zo druk om? Misschien moet ik het maar laten gaan. We zien wel wat er gebeurt.
Toch?

zondag 4 november 2007

Betekenis

Er steekt een klein meisje de straat over. Zo’n klein ding van een jaar of acht. Ik háát kinderen. Het zijn kleine mensen, even slecht als hun ouders en alle andere volwassenen, maar zíj komen er mee weg, alleen maar omdat ze klein zijn, en beperkt toerekeningsvatbaar zouden zijn. Belachelijk. Waarom beginnen mensen nog aan kinderen? Het heeft toch allemaal geen zin meer?
Ik loop met Sonja langs de Bredaseweg, over het terrein van Amarant, een opvang voor verstandelijk gehandicapten. Ik weet niet waarom we er voor gekozen hebben net hier te gaan lopen; ik ben altijd een beetje bang voor verstandelijk gehandicapten, net zoals ik bang ben voor honden. Ze zijn zo onvoorspelbaar. Je kunt niet met ze onderhandelen. Als je ze willen aanvallen, dan houdt niemand ze tegen, met hun beperkte rationaliteit.
Sonja vindt het volkomen terecht dat Al Gore de Nobelprijs voor de Vrede heeft gekregen.
“Misschien is het allemaal opgeklopt wat hij zegt”, zegt Sonja, op een toon die er geen twijfel over laat bestaan dat ze er vanuit gaat dat het dus zeker níet opgeklopt is wat hij zegt, “Maar in ieder geval wíjst hij mensen op de gevaren die er bestaan door de opwarming van de aarde. Mensen gaan er zo in ieder geval over nadenken.”
Ik heb niet echt een mening over Al Gore, dus ik zwijg. Ik ben al lang blij dat ze me weer wil spreken.
Aan de overkant van de straat zie ik het meisje. Ze rent achter haar ballon aan de weg op. Stom. Moet je niet doen. De Bredaseweg is groot, veel auto’s. Ze is ten dode opgeschreven. Roadkill. Er komt al een flinke SUV aanscheuren om de genadeslag toe te dienen.
Ik kan het niet aanzien. Ik moet uit een soort zelfbeschermingsmechanisme hebben gehandeld; ik kan slecht tegen bloed, en daarom liet mijn lichaam me zo handelen dat ik voorkwam dat ik bloed zou zien.
Nog voor de SUV het kind kon bereiken was ik de weg al overgestoken en had ik haar opgetild en weer op de stoep gezet. De wagen, remde, toeterde, en reed door. Ik meende een flits van een middelvinger op te vangen. Klootzak.
Het kind kijkt me verontwaardigd aan. Haar ouders, die een eind verderop lopen, hebben niet eens gezien dat ze in levensgevaar verkeerde. Ze heeft zelf niet eens door dat ze bijna roadkill was. Het enige dat haar bezighoudt is dat haar ballon inmiddels onder de wielen van een andere auto is geland.
“Je moet uitkijken”, zeg ik, “Je was bijna aangereden.”
Dit heeft geen zin zo. Ik klink als een idioot. Ik moet die ouders op hun donder geven omdat ze niet op hun kind letten, maar dat durf ik dan weer niet. De vader ziet er uit alsof hij in zijn vrije tijd puppy’s eet. Ik kijk toe hoe het meisje zich weer bij haar ouders voegt. Ze is mij alweer vergeten.

Ik zal het niet vergeten. Ik heb een leven gered. Is dit genoeg? Mag het nu ophouden? Word ik nu vergeven? Is het einde van de wereld afgewend?
Wat Sonja betreft wel. Ze houdt er niet over op dat het zo dapper was dat ik dat meisje voor die auto weg sleurde, dat het toch allemaal zin heeft, dat er dus geen reden voor mij is om continu ‘zo depressief te doen’.

Maar of het een verschil heeft gemaakt?
Dat zal zich vanzelf moeten uitwijzen.

Getelde dagen

Het is een zaterdagavond, en ik zit in een kroeg in Tilburg, met Ronald en zijn broer, waarvan ik de naam maar niet kan onthouden. Ik ben dit weekend maar niet naar mijn ouders gegaan, omdat ik me daartoe simpelweg niet kon zetten. Ik zag er het nut niet zo van in. Ooit zal ik toch zelfstandig moeten zijn, en aangezien ik nog maar vijf jaar heb kan ik daar het beste zo vlug mogelijk aan beginnen.
In plaats van naar huis te gaan zit ik me dus te bezatten. Het is onmogelijk te verdedigen dat dit een juiste besteding van mijn tijd is, maar wat is dat wel? Wat kan ik nog uit mijn leven halen?
Het geheel begint inmiddels te ontspinnen als een vrij surrealistische avond. Ronald begint grappen te maken over de holocaust, maar hij heeft het in ieder geval niet meer over zijn kanker.
“De bediening in dit café mag dan slecht zijn, maar weet je waar de bediening nog veel slechter was? In de holocaust!” Ronald barst in lachen uit. Zijn broer ook, maar die heeft inmiddels al zoveel gedronken dat hij niet echt een ‘tough crowd’ meer is.
Ik heb nog altijd de pest in. Vanmiddag heb ik geprobeerd Sonja terug te bellen, maar ze neemt maar niet op, teef dat ze is. Daarnaast ben ik nog over de zeik vanwege die inbraak van de week. ‘Inbraak van de week’? Dat klinkt als een heel slecht misdaadprogramma. Ik lach in mezelf.
Op een zeker moment bereikt mijn dronkenschap een zodanig niveau dat ik overal de inbreker, de dief van mijn televisie, ga zien. Ik kijk schichtig om me heen, naar elke persoon die op staat, alsof ik een gevecht met iemand zoek, maar een gevecht is het laatste waar ik op zit te wachten. Ik heb nog nooit gevochten; liever zag ik mijzelf als diegene die op de achtergrond de poppen zo bediende dat hij iedereen uiteindelijk tegen elkaar uitspeelde, maar dat ben ik eigenlijk ook niet. Ik ben niemand.
En hoe ouder ik word, hoe meer het opvalt dat ik niemand ben en nergens heen ga. Voor je twintigste is het nog acceptabel als je niets bereikt, maar daarna wordt het langzaam minder. Er zijn zoveel mensen van mijn leeftijd die al verder zijn dan ik ooit zal komen.

Ik wil nog iets groots doen voor het voorbij is.

Terwijl ik in mijn eentje het laatste eind naar huis fiets wacht ik op een openbaring, zoals die vent krijgt aan het einde van ‘De Avonden’, wat ik overigens een vrij belabberd boek vind. Ik wacht op een ingeving, een conclusie, een manier waarop ik mijn leven zin kan geven.
Waar wacht ik op?
Er is mij al ruim drie dagen niets bijzonders gebeurd.

zaterdag 3 november 2007

Apocalyps nu

Sommige mensen zien uit naar het Eind der Tijden, en af en toe, op mijn helderste momenten, kan ik dat heel goed begrijpen. Het is ergens heel fijn om te weten dat alles ophoudt als jij sterft, dat jij iedereen de dood mee in neemt. Het is het eind der tijden, en ik voel me prima.
Maar op een ander, veel meer fundamenteel, vlak is het verschrikkelijk om ervan op de hoogte te zijn dat we er over enige tijd allemaal aan gaan. Vijf jaar, dat is alles wat we hebben.
Wat er na het eind der tijden zal gebeuren weet ik niet. De maya’s zijn hier niet heel duidelijk over. Er zou een nieuwe tijd komen, maar of wij mensen daar een tijd in hebben blijft nog onduidelijk. De optimisten onder ons zeggen dat wij mensen allen persoonlijke veranderingen zullen ondergaan, maar dat is zo ontzettend naïef. Ik ben de enige die weet hoe het echt zit.
Het wordt niet aangenaam, het wordt niet gemakkelijk.

De Hindoes en Boeddhisten waren veel minder pessimistisch over hun eind der tijden. Zij deden niet aan een echt einde, maar eerder aan een cyclus van schepping en vernietiging, via slapende goden die ons bestaan telkens weer te voorschijn dachten. Elk verval was weer tijdelijk. Als de god wakker werd werden we allemaal weer tevoorschijn gedacht.

De Azteken daarentegen waren veel gedetailleerder en gedeprimeerder in hun religie; het lag aan hun bloeddorstige cultuur, met hun voortdurende ge-offer van mensen. Natuurlijk was het hun gebrek aan geschikte offerdieren dat hen zoveel mensen deed offeren om hun verschrikkelijke goden zo maar te vriend te houden. Ze creerden een distributiesysteem van menselijk vlees, zowel van krijgsgevangenen als hun eigen kinderen. Als er een kind geboren werd zeiden ze: ‘I have captured a prisoner’, aangezien het de bedoeling was dit kind op een geschikte leeftijd te offeren, op de meest gruwelijke manieren; hoofden afzagen met zwaardvissen, huid afstropen en die vervolgens door het hele rijk heen dragen, als een mantel. Stelletje gekken.
Wat ze niet beseften was dat zij op deze manier al in hun eigen Apocalyps leefden.

Als ik niet beter wist zou ik geloven dat voor ons, mensen van de eenentwintigste eeuw, hetzelfde geldt. Kijk om je heen. Wat zie je? Moord, verkrachting, oorlog, discriminatie, het ene familiedrama naar het andere, filmpjes van onthoofdingen op You-Tube… Homo hominu lupus est. Dog eat dog. Word je er vrolijk van? Ben je trots op die wereld van je?

Je zou bijna denken dat wij onze eigen Apocalyps al geschapen hebben, maar ik kan je vertellen dat het nog veel erger wordt…