Als ik terugkom bij mijn kamer in Tilburg is er een gevecht gaande. Ik ben wat later dan gebruikelijk; mijn trein had vertraging omdat er iemand voor was gesprongen, hetgeen me mateloos irriteerde. Konden die mensen niet van een gebouw springen als ze er zo nodig een eind aan wilden maken, in plaats van het hele spoorwegverkeer te ontregelen? Een vriend van mij, Krijn, heeft zich gewoon verhangen, geloof ik, hoewel hij van tevoren schijnbaar wel heeft geprobeerd popcentrum 013 in brand te steken…
Afijn, als ik eindelijk weer in Tilburg-Noord ben, vermoeid en geïrriteerd, is er voor de ingang van mijn flat een gevecht bezig. Het zijn vrijwel altijd drugsdealers, die hebben we hier veel, hier aan de noordkant van het kanaal. Beide betrokkenen zijn van allochtone (Turkse of Marokkaanse of Antilliaanse) afkomst.
“Verdomme jij!”, zegt de een.
“Jij kut!”, zegt de ander.
Ik vind het heel vervelend, maar ik kan zo niet naar binnen. Ze staan echt precies voor de deur, met hun gevecht. ‘Gevecht’ is waarschijnlijk een te groot woord; er wordt wat gezwaaid met armen, wat geroepen. Het is een softcore gevecht.
“Jij gore!”, roept de een, zwaaiend en wel.
Ik ga er bij staan, op een afstand van enkele meters, wachtend tot ze ophouden. Het schiet zo niet op, en minuten gaan voorbij terwijl er geruzied wordt. Ik kan niet goed tegen wachten; ik begin dan altijd te trillen van ongeduld.
Ik zou de politie kunnen bellen, maar mijn beltegoed is bijna op. Kost een telefoontje naar de politie eigenlijk wel beltegoed? Het zou toch zeer kwalijk en lullig zijn als je in de bosjes wordt verkracht en probeert de politie te bellen, om het bericht te krijgen dat je beltegoed niet toereikend is, en of je telefonisch wilt opwaarderen?
Er zit geen schot in de zaak. Trok er maar eens iemand een wapen, dan was zoiets snel voorbij. Ik kuch voorzichtig doch hoorbaar. Dat had ik niet moeten doen.
Ze houden op met roepen en kijken me beide tegelijkertijd aan.
“Waar bemoei jij je mee, man?”
Één van hen balt zijn vuisten en komt op me af, de ander volgt.
“Nee, ik… ik bedoel…”, begin ik.
Ik bedoel niks. Ik draai me om en sprint weg. Ik wou dat ik kon zeggen dat ik was gebleven, stand had gehouden, ze een pak slaag had gegeven, maar dat zou een heldendaad zijn, en ik ben geen held.
De achtervolging leidt me om het flatgebouw heen, door plantsoenen, straten. In dit deel van de stad is er zelden iemand op straat, niemand die je te hulp kan schieten in ieder geval. Een bekend Tilburgs gezegde luidt: ‘In Tilburg-Noord kan niemand je horen schreeuwen.’
Ik schud ze echter gemakkelijk af. Waarschijnlijk zaten de dealers zelf ook aan de drugs, en konden ze me daardoor niet bijhouden, want erg snel ren ik niet.
Als ik, ter hoogte van het Wilhelminakanaal weer tot rust kom, besef ik iets belangrijks. Ik besef hoe wezenlijk deze ervaring was.
Dit is waarschijnlijk het meest spannende en interessante dat mij de afgelopen vijf jaar is overkomen (vijf jaar geleden ben ik een keer verdwaald bij het grotten-wandelen in Luxemburg; lang verhaal).
Het is een gebeurtenis om na te vertellen aan vrienden of familie, om de aandacht mee te krijgen. ‘Weet je nog die keer dat ik werd achtervolgd door vechtende drugsdealers bij mijn flat?’
Het is een anekdote!
Ik SMS Ronald: ‘Ik ben net achtervolgd door drugsdealers bij mijn huis. Beltegoed op. Bel me.’
Hij stuurt een berichtje terug dat hij nog steeds denkt dat hij kanker heeft.
Het doet er niet toe. Het maakt niet uit. Ik heb mijn voornemen al klaar.
Ik neem me voor om voortaan elke dag iets spannends mee te maken, tot de dag dat ik sterf!
maandag 29 oktober 2007
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten