woensdag 24 oktober 2007

Op bezoek

Vandaag ga ik op bezoek bij een vriend van mij, die in Goirle, vlak bij Tilburg, woont. Hij woont nog thuis, die beunhaas. Dat betekent dus constante bemoeizucht, zonder een moment van rust. Maar hetzelfde kun je zeggen over samenwonen. Uiteindelijk ben je in je eentje het beste af. Dood gaan we toch.
“Ga maar gauw naar hem toe”, zegt zijn moeder, die open doet, “Hij voelt zich niet zo goed. Hij weigert met ons te praten.”
Ik tref hem aan, zittend op het bed van zijn slaapkamer, in een soort van foetushouding. Ik kan moeilijk een zucht onderdrukken. “Wat nu weer?”
“Victor”, zegt Ronald, “Victor, man. Fijn dat je er bent. Biertje?”
“Ik wil geen biertje”, zeg ik, “Het is half twaalf in de ochtend. Buiten hebben kinderen speelkwartier.”
Hij lacht, hoewel er niets om te lachen is, en er ook nooit iets om te lachten zal zijn.
“Victor, het gaat niet goed met me.”
Hij ziet er niet goed uit, dat moet ik hem nageven, maar ik gun het niet het genoegen dat hij krijgt als ik het toegeef, dus zeg ik niets. Hij ziet bleek, en heeft wallen onder zijn ogen. Volgens mij heeft hij zijn kleren, een spijkerbroek met een printfout er op, en een T-shirt met de tekst ‘If you can read this, the bitch fell off’ op de achterkant.
Ik geef hem maar geen hand. In plaats daarvan ga ik op de bank zitten. Zijn slaapkamer is bijna even groot als mijn appartement. Klootzak. Ik weet niet waarom ik met hem bevriend ben. Waarschijnlijk zoek ik slechts iets om me mee bezig te houden, zoals altijd, zoals iedereen. Zoals de man met zijn hondje. Woef Woef.
Ik zet de televisie aan en zap langs de kanalen, maar om half twaalf is er natuurlijk weinig op tv. Ik blijf hangen op MTV, bij een oude clip van Radiohead. Een man ligt op de stoep, en er staan een hoop mensen om hem heen. Ze vragen zich af waarom hij op de stoep ligt.
“Ik denk dat ik kanker heb.”, zegt Ronald ineens.
Ik haal mijn schouders op en probeer te ontcijferen waarom die man op tv op de stoep ligt. De mensen die om hem heen staan blijven die vraag ook stellen, maar tegen het eind van de clip, nadat hij hen heeft verteld waarom, liggen ze allemaal op de stoep. Ik wil ook op de stoep gaan liggen, en mensen als Ronald ook, denk ik. Het zou zo veel gemakkelijker zijn.
“Ik denk dat ik kanker heb!”, roept Ronald, een beetje boos.
Ik sta op, zet de tv uit en voel aan de verwarming. “Zet de verwarming eens aan, lul, je hebt zo’n ding niet voor niets. Gebruik het dan ook, teef dat je bent. Het is oktober!”
Ik loop naar het raam en kijk naar buiten. Geen man met hondje buiten, alleen leeg grasveld, perfect gemaaid, dat wel.
“Ik denk dat ik kanker heb!”, roept Ronald, “Kanker, Victor! Kánker!”
“Leuk voor je.”, zeg ik, “Misschien wil er iemand een reportage over maken. Over jou, of over de 400,000 andere Nederlanders die kanker hebben.”
Ik heb hier niks meer te zoeken en verlaat zijn kamer. In de gang naar buiten passeer ik zijn moeder.
“Ronald denkt weer dat hij kanker heeft.”, zeg ik.
“Och gut”, zegt ze, “Dan zal ik dokter Raaymakers maar weer eens bellen.”
Ik knik en verlaat het huis. Mijn fiets staat in de voortuin geparkeerd, maar ik heb meer zin om te lopen. Dus wandel ik met de fiets in mijn handen naar huis. Ik heb vakantie, en zelfs al heb ik geen vakantie, dan nog heb ik veel te veel vrije tijd.
Ineens lijken vijf jaar ontzettend lang.

Geen opmerkingen: