Vandaag ga ik weer terug naar huis, naar Breda. Ik blijf net zo lief hangen in Tilburg-Noord, maar mijn ouders staan er op dat ik naar huis kom, omdat ze mij mijn verjaardagscadeau willen geven.
Ik neem een vroege trein, want ik heb vandaag geen colleges. Door een gelukkig toeval heeft niemand zich vandaag voor een trein geworpen, en de trein vertrekt op het aangegeven tijdstip.
Ik snap die zelfmoordenaars niet; zelf zou ik er nooit aan beginnen. Ik ben te bang voor pijn; zelfs aan scheren heb ik een hekel. Mijn moeder denkt dat ik een hoogsensitief persoon ben, een HSP; ze wil alleen maar dat ik speciaal ben, zodat er een reden is voor mijn (in hun ogen) afwijkende gedrag. Een soort van vriend van me, Krijn Krijbolder, heeft anderhalve maand geleden zelfmoord gepleegd. Mijn ouders willen graag geloven dat ik hieraan een trauma heb overgehouden, maar eerlijk gezegd doet het me weinig. Te weinig.
Maar zelfmoord is te gemakkelijk. Ik zal deze doldwaze treinrit des levens moeten uitzitten.
Onderweg blijf ik steeds op mijn mobiel kijken. Stiekem wacht ik op een SMS-je van Sonja, dat het haar spijt van gisteren, maar het is ijdele hoop.
Op een kwart van de rit, als we station Reeshof passeren, stapt er een oudere man in met een opvallend gezicht, en ietwat uitpuilende ogen. Zoals bij sommige andere onbekenden vraag ik me af wie hij is, welk verhaal er achter hem steekt. Zo nu en dan denk ik er over om schrijver te worden, maar wat voor publiek zal er voor mij overblijven? Misschien als ik mijn schrijfsels maar diep genoeg begraaf, als een soort van tijdscapsule, dan vinden de overleden van 2012 (zo die er zijn) ze later terug. Maar wat voor wijsheden kan ik hen bieden? Doe geen drugs, maak je school af… dáár hebben ze wat aan. Kijk uit voor nucleaire fall-out, probeer een nieuwe beschaving op te zetten of geef het simpelweg op.
Wat ben ik toch een doemdenker geworden.
“Ge ziet er niet tevreden uit”, zegt de man tegenover me, volkomen ongevraagd overigens.
“Ik ben ook niet tevreden”, zeg ik, op wat ik hoop dat een sympathieke toon is, “We gaan er over vijf jaar allemaal aan.” Het houdt me bezig, ik kan geen gesprek voeren zonder er over te beginnen. Maar praten is soms de enige optie. Ik kan niet proberen te slapen in een trein; ik wil niet meer slapen.
De man knikt. “Ik weet er alles van.”, zegt hij, verrassend genoeg.
“Oh ja?”
Hij knikt. “Het aanstaande einde van onze wereld. De ondergang van de mensheid. Ik heb me er in verdiept.”
Zou het kunnen dat hier nog iemand als ik is, dat ik niet de enige ben die precies weet wat er gaat gebeuren?
“Echt waar?”
Hij knikt opnieuw. “Het einde van de mensheid. De dag dat Dread Cthulhu met zijn shoggoths uit den zee zal oprijzen, en wij allen ons verstand zullen verliezen. Oh, lieve onwetendheid, waarom hebt ge mij verlaten?”
De man babbelt onsamenhangend door, zonder nog acht op mij te slaan. Ik kan mijn teleurstelling moeilijk onderdrukken. Hier zit geen gelijke van mij, geen lotgenoot. Hier zit een echte gek met waanvoorstellingen in zijn hoofd.
De rest van de rit zeg ik niets meer.
Mijn ouders geven me een iPod, waar ik blij mee ben, omdat het me een mogelijkheid geeft de overbodige gesprekken om mij heen uit te sluiten, zoals het gewauwel van mensen in de trein. En wie weet helpt het nog tegen mijn hoofdpijnen ook…
vrijdag 26 oktober 2007
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten