woensdag 31 oktober 2007

De dubbelganger

Ik wou dat ik kon zeggen dat ik gisteren zo veel boeiende belevenissen heb meegemaakt dat ik geen tijd had om mijn weblog bij te werken, maar dat is niet helemaal waar.
Wel waar is dat ik een deel van de dag verwikkeld ben geweest in een bijzondere achtervolging, waar ik het nu maar over zal gaan hebben.

Het gebeurde toen ik vanaf de universiteit naar huis reed. Ik had ineens de vreemde ervaring dat ik mijzelf meende te zien fietsen aan de overkant van de weg. De man op de fiets was in alle opzichten mijn dubbelganger. Het was ontstellend.
Hij leek het zelf niet eens door te hebben, niets te merken van onze merkwaardige gelijkenis. Integendeel: hij staarde slechts voor zich uit en reed vlug de tegenovergestelde richting in.
Ik bleef hem nastaren en botste zodoende bijna op een geparkeerde auto. Niet alleen onze gezichten waren volledig identiek, maar ook onze lichamen, onze houdingen.
We waren allebei lang, hingen allebei wat naar voren, over het stuur van onze fietsen. Hij was misschien wat beter gekleed, had zijn haar wat beter in model, maar dat was dan ook het enige verschil. Het was verbazingwekkend.
Terwijl ik voor de auto halt hield en hij verder reed en langzaam maar zeker uit zicht verdween besefte ik dat ik snel moest handelen. Als ik wilde weten of hij werkelijk mijn dubbelganger was zou ik hem moeten volgen. Misschien zou ik hem hierna nooit meer zien, zou ik vanaf nu elke dag blijven peinzen over wie hij was, of mijn ogen me niet bedrogen hadden.
Een dergelijke onzekerheid zou ik niet kunnen verdragen. Ik keerde vliegensvlug mijn fiets om en reed de dubbelganger achterna. Ik was hem ter hoogte van de Westermarkt tegen gekomen en inmiddels stond hij bij het stoplicht te wachten om de Wandelboslaan over te steken.
Op het moment dat ik hem naderde stak hij net over. Ik werd bijna aangereden door een vrachtwagen maar haalde de andere kant zonder hem uit het oog te verliezen.
Hij leek nu wel te merken dat ik hem volgde, en begon sneller te fietsen, vooruit, onder het viaduct door.
Ik vroeg me af waar hij heen ging, wat hij deed, hoe oud hij was. Kwam hij hier uit de buurt? Kwamen onze karakters ook overeen? Was hij mij? Wie was ík dan?
Ergens wist ik dat dit gewoon iemand was, een ander mens, die toevallig als twee druppels water op mij leek. Er was geen enkele reden om aan te nemen dat wij méér gemeen hadden dan ons uiterlijk. Toch bleef ik volgen.
Ik volgde hem tot hij bij een studentenflat min of meer tegenover de Universiteit halt hield en van zijn fiets af stapte. Hij draaide zich naar mij om, en nu kon ik hem eens goed bekijken.
Bij nader inzien leek hij ook weer niet zó veel op mij. Hij had een veel kleinere neus, en meer puisten. Ook keek hij een stúk nijdiger.
“Wat moet je, man?”, vroeg hij, “Heb ik wat van je aan of zo?”
Ik zei niets. Ik kon niets zeggen. Waarom had ik mezelf met hem verward?
Hij balde zijn vuisten en kwam naar mijn fiets toe. Ik voelde mij erg bedreigd en trapte op de pedalen. Vlug maakte ik dat ik daar weg kwam. Hij kwam me niet achterna.

Terwijl ik terug naar huis fietste had ik spijt van mijn actie. Wat had ik verwacht hieruit te halen? Ik heb al een broer, waarom hoopte ik een dubbelganger te vinden?
Nu bedenk ik dat ik misschien iemand zoek met wie ik een connectie heb, iemand die me wil geloven, iemand die hetzelfde over de toekomst weet als ik…?
Of misschien word ik gewoon gek, verlies ik mijn verstand? Ik kan me niet herinneren wanneer ik voor het laatst een nacht goed heb geslapen, zonder schreeuwend wakker te worden.

Ik wil denk ik alleen maar dat het ophoudt.

Geen opmerkingen: